Recensie de Volkskrant

Recensie de Volkskrant

Arno Haijtema schreef een mooie recensie in de Volkskrant over mijn boek Oost-Azië:

Dromerig, maar niet nostalgisch

Recensie: Oost-Azië

Een kleine eeuw na publicatie van Oost-Azië gaat fotograaf Marco van Duyvendijk een dialoog aan met de gedichten in Slauerhoffs bundel. Zijn foto’s maken de poëzie luchtiger.

ARNO HAIJTEMA

Onder het pseudoniem John Ravenswood publiceerde de dichter J. Slauerhoff in 1928 de bundel Oost-Azië. Als scheepsarts had hij de wereldzeeën bevaren en van 1924 tot 1927 de kusten aangedaan van Macau, China, de Filipijnen, Korea en Japan. Hoe stormachtig het aan het begin van de 20ste eeuw in die landen ook was – oorlogen, elkaar opvolgende dictaturen, onstuitbare maatschappelijke veranderingen -, Slauerhoff reikte er in zijn gedichten naar het tijdloze, onvergankelijke Azië. Jonken in de mistige baai, besneeuwde bergen, de stilte van kloosters, het verglijden van de seizoenen. ‘Als een schip in de eeuwigheid verankerd/ Ligt ver van de oevers het kasteel in ‘t meer,/ De wereld afgewend, hier onveranderd/ Het rijk van bosch en water en weleer.’ (Nagoya-kasteel)

Zoals Slauerhoff de rimpelingen van zijn tijd in Oost-Azië negeerde om in de onderstroom te zoeken naar de ziel van het Verre Oosten, en natuurlijk naar de woorden die zijn gemoed weerspiegelen, zo zoekt fotograaf Marco van Duyvendijk een kleine eeuw later in het kielzog van de scheepsarts naar zijn gedroomde continent.

In een nieuwe uitgave van Oost-Azië gaat de fotograaf een artistieke dialoog aan met Slauerhoff. Een enigszins hachelijke onderneming. Beschuldigingen liggen op de loer van meeliften op het bewezen succes van een groots en meeslepend dichter, van de neiging poëzie te illustreren met foto’s wier realiteitsgehalte plat slaat, of te willen verbeelden van wat juist raadselachtig en ongezien tussen de woorden mag blijven zweven.

Van Duyvendijk (49), veelvuldig exposerend in musea en publicerend in onder meer de Volkskrant, koestert een niet te stillen romantisch verlangen naar Azië, waarbij kinderen en jongvolwassen vrouwen, het havenleven, shinto-rituelen, de natuur en al dan niet rotsige kustlijnen vaak terugkerende onderwerpen zijn. Dat in zijn borst eenzelfde, naar het verre avontuur hunkerende ziel huist als in Slauerhoff is zonneklaar.

In hun gezamenlijke bundel wisselen Slauerhoffs gedichten en Van Duyvendijks foto’s (merendeels in kleur) elkaar af, niet in een ijzeren ritme van één op één pagina, maar ademend op de maat van het beeldritme. En op andere momenten voegt de opeenvolging van beelden zich dienstbaar naar de lengte van een gedicht. De foto’s zijn nergens illustratief, vaak zijn het enkele woorden in een gedicht die doorklinken in het beeld. Zo staat naast ‘De kind’ren loopen uit hun kleurig spel/ En laten ‘t park schuw en verwaarloosd achter’ (Uyemo-park, Tokio) een aanbiddelijk klein meisje in kimono en met strik in het haar, beslist niet eentje die het openbaar groen van schrik ineen doet krimpen.

Veeleer ademen Van Duyvendijks foto’s de sfeer die opklinkt uit Slauerhoffs gedichten. Het zijn verstilde beelden, met veel oog voor verfijning, voor rituele kledij, voor de gemanicuurde takken van bomen in het Japanse park, voor doorschijnende platvisjes die aan draden drogen in de zon. Er spreekt liefde uit voor de concentratie van theerituelen en voedselbereiding, de stilte van de tempels, het kalme ritme van de golfslag op de rotsen.Van Duyvendijk fotografeert (meen ik te weten) met een analoge middenformaatcamera, waarvan het instellen van belichtingstijd, scherpstellen, kadrering en diafragma bij elke opname enige handelingen vergt. Die werkwijze dwingt concentratie en geduld af. Een opname komt niet terloops tot stand, maar is het gevolg van kijken, afwegen, passen en meten – zoals de dichter die schaaft, schrapt, wikt en weegt.

Dromerig en stil zijn de foto’s, maar niet nostalgisch. Niet tegen beter weten in terugverlangend naar Slauerhoffs vervlogen jaren van oceaanstomer en het tomeloos passagieren in onbekende, duistere havensteden. Van Duyvendijk fotografeert ook de wolkenkrabbers in de Aziatische metropolen en hippe jonge vrouwen met zelfbewuste oogopslag. En de kathedraal San Miguel op Macao, waarvan alleen de façade rest (‘Slechts de grauwe rechtopstaande zerk,/ Stijgend op de kim der trappendrempel,/ ‘t Open ruim beheerschend, zonnetempel/ Tot den einder onder ‘t koepelend zwerk.’) Een eeuw na Slauerhoffs observatie zijn de restanten van de kathedraal niet langer omgeven door open ruimte, maar opgeslokt door een zee van verticaal beton.

De eigentijdse, mild-kleurrijke foto’s verlenen Slauerhoffs met hedendaagse oren beluisterde wat gezwollen taalgebruik een aangename relativering en maken de ernst waarvan zijn poëzie is doortrokken luchtiger. Tegelijk ademen Van Duyvendijks foto’s liefde en ontzag voor Slauerhoff en voor de tijdloze schoonheid die zijn werk óók bepaalt.

‘Vissers wachten met loodrechte spies,/ Of forellen zich blinkend verrieden in ‘t diep’, schrijft Slauerhoff in Landschap. In die vissers valt de geduldige fotograaf boven het water te herkennen die op zoek naar glinstering de taal van de dichter heeft betreden: ‘Sprietbruggen, dun als riethalmen, schichten/ Over breedglimlachende rivieren.’

Tekst copyright Arno Haijtema

Geen reactie's

Sorry, het is niet mogelijk om te reageren.